Tuchtrecht Reactie Landsadvocaat inzake klacht K384 2026 (dhr. H. Smedema / mr. R.W. Veldhuis)

Copyrights by Hans Smedema on this whole True Crime Legal-Blog!

Last Updated 22/09/2026 published 22/09/2026 by Hans Smedema

Tuchtrecht Reactie Landsadvocaat inzake klacht K384 2026 (dhr. H. Smedema / mr. R.W. Veldhuis)

Referentiecode: xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Aan: mw. mr. T.R. de Boer (Stafjurist Orde van Advocaten Den Haag)

E-mailadres: [email protected]

Geachte mevrouw De Boer,

Naar aanleiding van uw schrijven van vandaag 22 september 2026 inzake bovengenoemd klachtdossier doe ik u hierbij ook op 22 september 2026 mijn puntsgewijze reactie toekomen.

Ad Klachtonderdeel 1: De Historische Realiteit, Kennis van mr. Veldhuis en de Vervaltermijn (art. 46g Advocatenwet)

Vraag 1 (Handhaving of intrekking t.a.v. de datum 1 januari 2017):

Ik handhaaf dit klachtonderdeel, met dien verstande dat de datum 1 januari 2017 door mij is genoemd als het aanvangsmoment van de betrokkenheid en kennisopbouw van het kantoor van de Landsadvocaat, en niet als een op zichzelf staand, afgesloten handelen.

Er is sprake van een voortdurende tuchtrechtelijke gedraging. Mr. Veldhuis heeft de standpunten die toen zijn ingenomen niet beperkt tot 2017, maar heeft deze herhaald en actief ingebracht in recente procedures en correspondentie in de periode 2024–2026, waaronder bij de behandeling van de aansprakelijkstellingen en procedures tot in 2025 en 2026. Op grond van vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie vangt de driejaarstermijn van artikel 46g Advocatenwet ten aanzien van recent herhaalde stellingen en handelingen pas aan op het moment dat deze recente proceshandelingen zijn verricht. Mijn klacht ziet derhalve expliciet op het handelen en nalaten van mr. Veldhuis binnen de driejaarsperiode voorafgaand aan het indienen van de klacht in september 2026.

Vraag B & C (Concrete feiten/argumenten waarvan mr. Veldhuis wist/behoorde te weten dat ze onjuist zijn):

  1. De onjuiste stellingname: In recente processtukken en advisering aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft mr. Veldhuis het standpunt ingenomen c.q. gefaciliteerd dat mijn vorderingen “onvoldoende onderbouwd” zijn en dat de Staat geen enkele bemoeienis heeft gehad met het frustreren van strafrechtelijke aangiften of het doen ontstaan van bewijsnood.
  2. De wetenschap van mr. Veldhuis: Mr. Veldhuis treedt al jarenlang op als vaste raadsman van de Staat in deze materie. Uit hoofde van die hoedanigheid is hij rechtstreeks bekend met de dossiers aangaande de eerdere artikel 12 Sv-procedures (Gerechtshof Leeuwarden, 2005) en de officiële rapportages en bevindingen rondom het niet-vervolgen en het ontbreken van een proces-verbaal. Door in rechte te blijven poneren dat het gebrek aan objectief bewijs uitsluitend aan mijzelf te wijten is, stelt mr. Veldhuis willens en wetens feiten waarvan hij weet – althans op basis van de hem ter beschikking staande overheidsdossiers behoort te weten – dat de bewijsnood het rechtstreekse gevolg is van overheidsinstructies aan de politie. Daarmee schendt hij de norm dat een advocaat geen stellingen mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs behoort te kennen.

Vraag D (Onderbouwing bestaan van het dossier):

Het bestaan van het dossier en de dossierkennis bij de Landsadvocaat blijkt uit de formele brieven van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 4 februari 2025 (kenmerk 6155331) en 13 november 2025 (kenmerk 6885286). In beide officiële documenten verklaart het Ministerie uitdrukkelijk: “Uw bovengenoemde e-mails met bijlagen heb ik ter behandeling […] door tussenkomst van de Landsadvocaat, in goede orde ontvangen”. Hieruit blijkt onweerlegbaar dat de Landsadvocaat (mr. Veldhuis) fungeert als het formele intake- en behandelpunt voor deze stukken, deze dossiers onder zich heeft en de inhoud daarvan kent.

Ad Klachtonderdeel 2: De Woo-afdoening van 17 maart 2025

Vraag E (Onderbouwing bestaan dossier en documenten):

Het dossier waarvan in het Woo-besluit van 17 maart 2025 werd gesteld dat er “geen documenten zijn aangetroffen”, betreft de interstatelijke communicatie en correspondentie rondom de UNCAT/VN-kwesties. Dat deze documenten onder de Staat en diens juridisch adviseurs moeten berusten, volgt uit het feit dat over deze diplomatieke en juridische contacten officiële notificaties zijn uitgewisseld, zoals eveneens blijkt uit de dossiers verwijzingen van het Kabinet van de Koning van 20 mei 2026 (kenmerk REK2026000383). Een categorische ontkenning van het bestaan van enig stuk is feitelijk onaannemelijk gelet op de formele bewaar- en archief plichten van de rijksoverheid.

Vraag F (Betrokkenheid mr. Veldhuis):

Mr. Veldhuis treedt op als primair juridisch adviseur van de Staat bij procedures waarin openbaarmaking en aansprakelijkheid aan de orde zijn. Waar een advocaat bemerkt dat zijn cliënt in rechte een feitelijk onjuist standpunt inneemt (te weten: “er is niets”), mag hij zich niet lenen voor het presenteren of handhaven van die voorstelling van zaken. Door de afwijzende reacties van het Ministerie juridisch in te kleden en te verdedigen, heeft mr. Veldhuis actief toegelaten dat de onjuiste premisse van “geen enkel aanknopingspunt” als verweer tegen mij wordt gebruikt.

Ad Klachtonderdeel 3: De Rol van de Landsadvocaat bij de Ongelijkheid van Procespositie

Vraag G (Onderbouwing in stand houden gebrek aan advocaat):

  1. Gebruik van de cirkelredenering: Mr. Veldhuis weet dat ik herhaaldelijk buiten staat ben gesteld om effectieve juridische bijstand te verkrijgen en dat verzoeken daartoe zijn afgewezen op grond van vermeende “onvoldoende onderbouwing”.
  2. Desondanks hanteert mr. Veldhuis in zijn advisering en proceshouding namens de Staat de strategie om stelselmatig te verwijzen naar het “inschakelen van een eigen advocaat” (zie o.a. het schrijven d.d. 13 november 2025), terwijl hij tegelijkertijd in procedures formalistische niet-ontvankelijkheidsverweren opwerpt die inspelen op mijn status als procespartij in persoon.
  3. Hoewel een advocaat van de wederpartij de belangen van zijn cliënt mag behartigen, verbiedt de tuchtrechtelijke norm (zoals door u onder sub c geformuleerd) dat een advocaat de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder redelijk doel. Het opwerpen van louter formele barrières tegen een burger waarvan de advocaat weet dat deze door overheidsingrijpen geen raadsman kan vinden, strijdt met de bijzondere verantwoordelijkheid die op de Landsadvocaat rust ten aanzien van de integriteit van de rechtsbedeling.

Nevenverzoeken en Afsluiting

Ik neem nota van uw toelichting dat de deken niet bevoegd is om instructies te geven over het overleggen van stukken in aanhangige procedures, alsmede van uw mededeling dat het artikel 13-dossier van 18 november 2025 gesloten is. Mijn klacht richt zich thans dan ook onverkort op de tuchtrechtelijke toetsing van het handelen van mr. Veldhuis zoals hierboven nader omschreven.

Ik vertrouw erop u hiermee tijdig en conform de Leidraad dekenale klachtbehandeling van de gevraagde toelichting te hebben voorzien en verzoek u de klachtbehandeling tegen mr. Veldhuis op basis van deze concrete gronden voort te zetten.

Hoogachtend,

Hans Smedema

Carrer Manuel de Falla 4, Ap. 2B

03581 L’Alfàs del Pi (Alicante), Spanje

 

Published by

Hans Smedema

High level Dutch man(Rotary member) who became the victim of an unbelievable conspiracy set up by a criminal organisation of rapist inside the Ministry of Justice. Making me De Facto Stateless! Now fighting for 24 years but the Dutch government and specific corrupt King refuse to open an investigation to protect themselves! America investigated after my asylum request and started an UNCAT or special procedure in 2017. View all posts by Hans Smedema