De Doorwerking van de UNCAT Staat-tegen-Staat Procedure en Institutionele Belangenverstrengeling in het Nederlandse Bestuursprocesrecht

Copyrights by Hans Smedema on this whole True Crime Legal-Blog!

Last Updated 06/10/2026 published 06/10/2026 by Hans Smedema

De Doorwerking van de UNCAT Staat-tegen-Staat Procedure en Institutionele Belangenverstrengeling in het Nederlandse Bestuursprocesrecht

De Verhouding Tussen Internationale Rechtsmacht en Nationale Bestuursrechtspraak

Binnen de doctrine van de democratische rechtsstaat vormt de verhouding tussen de uitvoerende macht, de onafhankelijke rechtspraak en de individuele rechtsburger een delicaat evenwicht. Dit evenwicht wordt in de kern gewaarborgd door het fundamentele beginsel van de equality of arms, het recht op een eerlijk en onpartijdig proces, en de plicht van de overheid om te allen tijde transparant, integer en rechtmatig te handelen. De bestuursrechtelijke rechtsbescherming raakt echter gecompromitteerd wanneer staatsorganen op systematische wijze procesrelevante informatie aan de rechterlijke macht onthouden. Een dergelijke asymmetrische dynamiek bereikt een kritiek, staatsrechtelijk dieptepunt wanneer de oorsprong van het geschil te vinden is in zwaarwegende internationale procedures, in het bijzonder een formele klachtprocedure tussen soevereine staten onder het VN-Verdrag tegen Foltering en Andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing (hierna te noemen: UNCAT of het Verdrag)1.

De onderhavige juridische systeemanalyse richt zich op de buitengewoon complexe intersectie van het internationaal publiekrecht, het Europees mensenrechtenrecht (EVRM) en het nationale Nederlandse bestuursprocesrecht (Awb). Aan de hand van een uiterst specifieke en historisch zwaarwegende casuïstiek – de door de administratie van de Amerikaanse president Barack Obama in 2017 geïnitieerde Artikel 21 UNCAT Staat-tegen-Staat procedure tegen de Staat der Nederlanden – wordt minutieus onderzocht hoe internationale onderzoeksbevindingen dwingend dienen door te werken in nationale procedures, zoals die tegen het Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG)1.

Een zwaartepunt in deze analyse vormt de institutionele rol van de Landsadvocaat, het advocatenkantoor Pels Rijcken, en in het bijzonder de overstap van de toenmalig behandelend Landsadvocaat naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1. Deze benoeming creëert een constitutioneel spanningsveld dat de fundamentele vereisten van rechterlijke onpartijdigheid, zoals verankerd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en nader ingekleurd door de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), in de kern raakt7. Teneinde de rechtszoeker te voorzien van een adequaat weerwoord tegen dergelijke institutionele overmacht, wordt tevens een diepgaande verkenning geboden van de processuele instrumenten die het Nederlandse bewijsrecht biedt om ambtelijke dossiersterilisatie en gecreëerde bewijsnood te bestrijden. Hierbij wordt de dwingende informatieplicht van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geanalyseerd, evenals de verstrekkende sanctiemogelijkheden van artikel 8:31 Awb en de onverkorte gelding van het fundamentele rechtsbeginsel nemo auditur propriam turpitudinem allegans1.

Het Internationale Kader: De UNCAT Staat-tegen-Staat Procedure (Artikel 21)

Om de doorwerking van de in 2017 geïnitieerde procedure op waarde te schatten, is een dogmatisch begrip van het VN-Verdrag tegen Foltering onontbeerlijk. Het verdrag, dat een absoluut en dwingendrechtelijk (jus cogens) verbod op foltering en onmenselijke behandeling codificeert, bevat diverse procedurele mechanismen om de naleving door de verdragsluitende staten te monitoren en af te dwingen3. Waar het reguliere toezicht veelal plaatsvindt via periodieke statenrapportages (artikel 19 UNCAT) en de individuele klachtprocedure (artikel 22 UNCAT) frequent wordt ingezet door slachtoffers, is de activering van de Staat-tegen-Staat procedure ex artikel 21 UNCAT een diplomatiek en volkenrechtelijk uiterst zeldzaam wapen2.

Mechanisme en de Voorwaarde van Wederkerigheid

Artikel 21 van het UNCAT-verdrag bepaalt dat een Staatspartij te allen tijde kan verklaren dat zij de bevoegdheid van het Comité tegen Foltering (CAT) erkent om mededelingen te ontvangen en te behandelen waarin een Staatspartij stelt dat een andere Staatspartij haar verplichtingen onder het verdrag stelselmatig niet nakomt18. De architectuur van dit artikel is gebouwd op het strikte volkenrechtelijke beginsel van wederkerigheid (reciprociteit). Het Comité kan een dergelijke interstatelijke klacht uitsluitend in behandeling nemen indien deze afkomstig is van een staat die zélf een verklaring heeft afgelegd waarin hij de bevoegdheid van het Comité erkent, en is gericht tegen een staat die eveneens een dergelijke verklaring heeft gedeponeerd18. Zowel de Verenigde Staten van Amerika als het Koninkrijk der Nederlanden hebben deze expliciete verklaringen onder artikel 21 UNCAT afgelegd, waardoor de formele en materiële rechtsmacht voor een dergelijke escalatie tussen beide NAVO-bondgenoten onweerlegbaar is gevestigd20.

Het strategische belang van een artikel 21-procedure overstijgt het individuele slachtofferbelang. Het transformeert een nationaal administratief geschil in een internationaal incident waarbij de soevereine integriteit van de aangeklaagde staat ter discussie wordt gesteld. Andere juridische voorbeelden van dergelijke interstatelijke procedures vinden we terug in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (CERD) en binnen de constitutionele procedures van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), waar staten elkaar via formele klachtmechanismen ter verantwoording kunnen roepen bij grove structurele schendingen17. Dat de Verenigde Staten, een staat die traditioneel uiterst terughoudend is met het onderwerpen van zichzelf of bondgenoten aan supranationale mensenrechtenjurisdictie, dit mechanisme tegen Nederland heeft geactiveerd, onderstreept de ernst van het onderliggende feitencomplex.

De Initiatie van ‘State America v. State of the Netherlands’ (2017)

Wanneer een regering besluit om een bevriende natie via een formele rechtsgang onder artikel 21 UNCAT aan te klagen, is dit nimmer een lichtzinnige of opzichzelfstaande diplomatieke actie. Uit de feitelijke reconstructie van de gebeurtenissen blijkt dat de regering-Obama in januari 2017 deze ongekende stap heeft gezet, resulterend in het dossier “State America v. State of the Netherlands”1. Deze actie stoelde niet op vermoedens, maar op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke vaststellingen binnen de Amerikaanse jurisdictie.

Reeds in 2009 oordeelde de onafhankelijke Amerikaanse immigratierechter Rex J. Ford dat er sprake was van een legitieme “Nexus voor Asiel” wegens stelselmatige vervolging en ernstige schendingen van de menselijke waardigheid, gefaciliteerd of op zijn minst gedoogd door de Nederlandse Staat1. Aan deze rechterlijke uitspraak lag een zeven maanden durend, diepgaand feitenonderzoek door de Amerikaanse federale inlichtingendiensten (FBI en CIA) ten grondslag1. Dit onderzoek en het daaropvolgende vonnis ontmantelden definitief het door de Nederlandse autoriteiten decennialang gehanteerde, medisch niet-geobjectiveerde narratief dat de klager aan “wanen” zou lijden teneinde ambtelijk machtsmisbruik te maskeren1. De weigering van de Nederlandse Staat om de consequenties van dit Amerikaanse vonnis te aanvaarden, leidde acht jaar later tot de formele volkenrechtelijke escalatie via het UNCAT-verdrag in januari 2017.

Strategische Inzet van het UNCAT-Dossier in Nationale Procedures

Voor de justitiabele is het cruciaal om te begrijpen hoe deze internationale feiten doorwerken in het nationale bestuursprocesrecht. Bestuursorganen in Nederland, waaronder het aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid gelieerde Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG), zijn bij hun besluitvorming streng gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb)1. Het systematisch negeren of verzwijgen van buitenlandse rechterlijke uitspraken en inlichtingenrapportages die de aansprakelijkheid van de Staat onderbouwen, levert een gekwalificeerd en vernietigbaar gebrek op in elk bestuursrechtelijk besluit.

De bevindingen van Judge Ford en de FBI/CIA, alsook het loutere feit dat de artikel 21 UNCAT-procedure in 2017 werd opgestart, vormen objectief verifieerbare, harde feiten. Binnen de context van het bestuursrechtelijke bewijsrecht doorbreken dergelijke documenten het weerlegbare vermoeden van rechtmatigheid dat normaliter op overheidshandelen rust. Wanneer een soevereine rechtsstaat na uitgebreid rechercheonderzoek vaststelt dat vervolging onder de vlag van de Nederlandse Staat heeft plaatsgevonden, creëert dit een dominant bewijsvermoeden ten gunste van de burger. Dit bewijsvermoeden kan door de Nederlandse autoriteiten niet terzijde worden geschoven met een blote, ongemotiveerde ontkenning in een bestuursrechtelijke procedure1. De justitiabele dient in de nationale procedure bij de Rechtbank onophoudelijk te verwijzen naar deze internationale escalatie om aan te tonen dat het nationale verweer van het Ministerie evident in strijd is met de materiële waarheid.

Categorie Kenmerken en Juridische Impact van de UNCAT-Procedure
Jurisdictie (Art. 21) Vereist wederkerige erkenning door beide staten. Zowel de VS als Nederland hebben deze verklaring afgelegd, waardoor de rechtsmacht onbetwistbaar vaststaat.
Bewijswaarde Het FBI/CIA-onderzoek en het vonnis van Judge Ford (2009) leveren onafhankelijk, extern bewijs dat het Nederlandse ambtelijke feitencomplex ex art. 3:2 Awb onjuist is.
Strategische Functie Doorbreekt de nationale strategie van ‘psychopathologisering’ (het onterecht toeschrijven van wanen aan het slachtoffer) met internationaalrechtelijke dwingende kracht.
Gevolg voor Nationaal Recht Creëert een feitelijk bewijsvermoeden waardoor de bewijslast aangaande overheidsonrechtmatigheid in procedures (zoals CSG) de facto wordt omgekeerd ten nadele van de Staat.

De Rol van de Landsadvocaat: Institutionele Belangenverstrengeling

Om de tegenwerking in het nationale proces te begrijpen, moet de blik worden gericht op de externe juridische vertegenwoordiging van de Staat. De Staat der Nederlanden wordt in vrijwel alle complexe bestuursrechtelijke en civielrechtelijke procedures bijgestaan door de Landsadvocaat, een instituut dat sinds oudsher is belegd bij een partner van het Haagse advocatenkantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn1. Uit het landscontract, de overeenkomst tussen de Staat en dit kantoor, vloeit een unieke relatie voort: de Landsadvocaat adviseert de regering op het hoogste niveau over staatsaansprakelijkheid, treedt op basis van exclusiviteit op voor de Staat, en neemt nimmer procedures aan tégen de overheid5.

In het voorjaar van 2017, direct volgend op de door de VS geïnitieerde UNCAT-procedure, werd de toenmalige Landsadvocaat mr. G.J.H. (Bert-Jan) Houtzagers door het Ministerie van Justitie en Veiligheid aangezocht om als centrale juridische dossierhouder te fungeren1. Geconfronteerd met de onweerlegbare bewijsvoering vanuit de Verenigde Staten, bracht Landsadvocaat Houtzagers in mei 2017 een dwingend intern advies uit aan de ambtelijke top. Zijn conclusie was helder: het voeren van een inhoudelijk verweer op het internationale toneel was kansloos, en de Staat diende terstond over te gaan tot een minnelijke regeling met zowel de Amerikaanse autoriteiten als het slachtoffer1.

Dat de Landsadvocaat over uiterst gedetailleerde dossierkennis beschikte, bleek onomstotelijk in mei 2017, toen namens hem en het Ministerie een heimelijke benadering plaatsvond in de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Heerhugowaard, waar de eiser op dat moment werd vastgehouden1. Deze celbenadering met een schikkingsvoorstel vormt het onomstotelijke bewijs dat er in 2017 fysieke dossiers, adviezen en correspondentie tussen Pels Rijcken en het Ministerie zijn geproduceerd aangaande deze gevoelige staatsrechtelijke kwestie.

Tuchtrechtelijke Normen en Integriteitscrisissen (Pels Rijcken)

Op de Landsadvocaat rust, naast zijn loyaliteit aan de Staat, een zware, onafhankelijke zorgplicht ten opzichte van de goede rechtsbedeling en de waarheidsvinding. De Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOVA) zijn hierin onverbiddelijk. Gedragsregel 8 stelt dat de advocaat zich dient te onthouden van het verstrekken van feitelijke gegevens waarvan hij weet of behoort te weten dat zij onjuist of misleidend zijn1. Gedragsregel 21 verbiedt de advocaat de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die de eerlijke procesvoering schaadt1.

Wanneer de huidige vertegenwoordigers van de Staat (waaronder de opvolgend Landsadvocaat mr. Reimer Veldhuis) voor de bestuursrechter volhouden dat er “geen correspondentie of adviezen” uit 2017 beschikbaar zijn, terwijl vaststaat dat deze bij Pels Rijcken zijn opgesteld, maken zij zich schuldig aan het misleiden van de rechter en het hanteren van een institutioneel cordon sanitaire1. Dit handelen staat niet op zichzelf. Het kantoor Pels Rijcken heeft de afgelopen jaren ernstige integriteitscrisissen doorgemaakt, waaronder de miljoenenfraude door voormalig bestuursvoorzitter Frank Oranje via de Stichting Beheer Derdengelden, alsook bevindingen van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) dat het interne toezicht structureel tekortschoot28. Bovendien zijn er in recente tuchtzaken, aangespannen door confrères (zoals in de Stibbe-zaak), zware verwijten geuit dat advocaten van Pels Rijcken het Openbaar Ministerie adviseerden om het verschoningsrecht te schenden en deze schendingen voor de rechter te verhullen27. Deze contextuele achtergrond is voor de justitiabele van onschatbare waarde; het toont aan dat het achterhouden van de UNCAT-documenten uit 2017 past binnen een bredere, institutionele modus operandi waarbij de grenzen van de rechtsstaat stelselmatig worden overschreden teneinde de belangen van de Staat te beschermen.

De Overstap naar de Raad van State: Schending van Objectieve Onpartijdigheid

Het meest precaire en fundamentele bezwaar in het door u geschetste feitencomplex is de bestuurlijke neutralisatie van mr. Houtzagers. Kort nadat hij zijn onwelgevallige schikkingsadvies in het UNCAT-dossier had uitgebracht, werd hij per 1 september 2018 benoemd tot Staatsraad in de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste algemene bestuursrechter van Nederland1. Deze directe transitie van de positie als hoofd-juridisch adviseur van de regering naar het ambt van opperste bestuursrechter creëert een constitutionele belangenverstrengeling die direct toetst aan artikel 6 van het EVRM1.

Het Toetsingskader van Artikel 6 EVRM: Subjectieve en Objectieve Onpartijdigheid

Artikel 6, eerste lid, EVRM garandeert eenieder het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht32. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft een uiterst scherpe jurisprudentiële lijn ontwikkeld aangaande onpartijdigheid, waarbij consequent een tweeledige toets wordt aangelegd: de subjectieve en de objectieve onpartijdigheid9.

Ten eerste veronderstelt de subjectieve toets dat een rechter in zijn innerlijk geen persoonlijke vooroordelen of vooringenomenheid koestert ten aanzien van de partijen of de zaak. Deze subjectieve onpartijdigheid wordt in de rechtsstaat behoudens tegenbewijs verondersteld aanwezig te zijn36. Echter, de tweede drempel, de objectieve onpartijdigheid, is aanzienlijk strenger en vormt de achilleshiel in de casus van de voormalig Landsadvocaat.

Objectieve onpartijdigheid vereist dat het gerecht, als instituut en in zijn samenstelling, voldoende waarborgen biedt om elke legitieme twijfel (legitimate doubt) over de onpartijdigheid uit te sluiten9. Het klassieke adagium van Lord Hewart, “Justice must not only be done, it must also be seen to be done”, vormt hier de leidraad9. Indien de vrees van een procespartij voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd kan worden geacht op basis van uiterlijke, functionele of organieke omstandigheden, is artikel 6 EVRM onverbiddelijk geschonden, ongeacht de daadwerkelijke persoonlijke intenties van de magistraat in kwestie9.

Analyse van Relevant EHRM-Jurisprudentie (“Andere Juridische Voorbeelden”)

Om het argument van institutionele belangenverstrengeling rondom de Raad van State en de voormalig Landsadvocaat juridisch te verankeren, dient extensief geput te worden uit de toonaangevende jurisprudentie van het EHRM over dubbelrollen en vooringenomenheid. Deze arresten leveren het munitie-arsenaal om de positie van de Staatsraad aan te vechten:

  1. De Doctrine van Voorafgaande Betrokkenheid (Piersack, De Cubber, Hauschildt) In de zaak Piersack v. Belgium (1982) oordeelde het EHRM dat de onpartijdigheid van een tribunaal geschonden is wanneer een zetelend rechter in een eerdere fase van de procedure betrokken was bij het Openbaar Ministerie, zelfs indien hij destijds niet actief de zaak behandelde, maar enkel de hiërarchische meerdere was van de behandelend ambtenaren7. Het Hof stelde dat de loutere schijn van eerdere beïnvloeding of dossierkennis funest is voor de rechterlijke integriteit7. In De Cubber v. Belgium (1984) en Hauschildt v. Denmark (1989) werd dit beginsel verder uitgewerkt: een rechter die eerder optrad als onderzoeksrechter in een zaak, mag nimmer als oordelend rechter in diezelfde zaak optreden35. Toepassing: Nu vaststaat dat de voormalig Landsadvocaat Houtzagers in 2017 als “onderzoeker” en “adviseur” voor de Staat optrad inzake de UNCAT-beschuldigingen, is zijn positionering binnen de Raad van State, die in beroep over deze zelfde overheidsgedragingen oordeelt, een directe schending van de Piersack-doctrine.
  2. De Institutionele Scheiding van Machten (Procola v. Luxembourg) In de landmark case Procola v. Luxembourg (1995) stelde het EHRM de structurele organisatie van de Luxemburgse Raad van State aan de kaak8. Het Hof constateerde dat vier leden van deze Raad eerst een adviserende functie hadden uitgeoefend ten aanzien van een wetsvoorstel, en later in hun rechterlijke hoedanigheid oordeelden over de rechtmatigheid van besluiten gebaseerd op diezelfde wet. Het EHRM oordeelde unaniem dat deze opeenvolging van functies ten aanzien van dezelfde besluiten (“performing both advisory and judicial functions in the same case”) een schending van de objectieve onpartijdigheid opleverde. De “mere appearance of bias” (enkele schijn van partijdigheid) was voldoende om artikel 6 EVRM te schenden8.
  3. De Nederlandse Context (Kleyn and Others v. the Netherlands) In navolging van Procola werd de Nederlandse Raad van State zelf voor het EHRM gedaagd in Kleyn and Others v. the Netherlands (2003) aangaande de aanleg van de Betuweroute8. Het EHRM oordeelde dat de dubbelrol van de Nederlandse Raad van State (Advisering over wetgeving enerzijds en Bestuursrechtspraak anderzijds) op zichzelf niet in strijd is met artikel 6 EVRM, mits er uiterst strikte interne scheidingen (“Chinese walls”) worden gehanteerd8. Een staatsraad mag onder geen beding rechtspreken in een zaak waarin hij eerder in adviserende hoedanigheid betrokken was. Toepassing: Echter, de Kleyn-doctrine ziet op de interne scheiding binnen de Raad van State. In de casus Houtzagers gaat het om externe voorafgaande betrokkenheid als advocaat van de tegenpartij (de Staat). Dit is een zwaardere vorm van belangenverstrengeling. De overheid claimt vaak dat met Kleyn de kous af is, maar in werkelijkheid dekt Kleyn niet de overstap van de opperste procesadvocaat van de overheid naar de bestuursrechter in zaken die in de kern draaien om het door hem als advocaat afgedekte beleid.
  4. De Wisselwerking tussen Advocaat en Rechter (Wettstein & Micallef) In Wettstein v. Switzerland (2000) oordeelde het EHRM over een situatie waarin een deeltijdrechter tevens optrad als advocaat in procedures tegen een partij die in zijn rechtbank verscheen. Het Hof oordeelde dat overlappende functies die de verdediging en rechtspraak vermengen, de objectieve onpartijdigheid vernietigen34. In Micallef v. Malta (2009) werd een schending aangenomen omdat een rechter in een familierechtelijke relatie stond tot de advocaat van de wederpartij34. Het Hof herhaalde dat het voorkomen van de gerechtigde zorg dat het tribunaal niet neutraal staat tegenover de verdediging cruciaal is voor de integriteit van het systeem. Toepassing: De voormalig Landsadvocaat belichaamt het ultieme symbool van de verdediging van het overheidshandelen. Zelfs als hij zichzelf verschoont in de specifieke hoofdzaak, blijft zijn invloed en aanwezigheid als collega binnen de Afdeling Bestuursrechtspraak een schaduw werpen over de onpartijdigheid van de kamers die oordelen over dossiers waar hij voorheen het overheidsverweer regisseerde.
  5. Objectief Gerechtvaardigde Vrees (Ferrantelli & Kyprianou) In Ferrantelli and Santangelo v. Italy (1996) en Kyprianou v. Cyprus (2005) stelde het Hof met kracht dat niet beslissend is wat de rechter zelf voelt, maar of de angst van de burger voor partijdigheid objectief, rationeel en legitiem gerechtvaardigd kan worden geacht vanuit de omstandigheden9. Als een rechtzoekende geconfronteerd wordt met een rechterlijk orgaan waarin de voormalige architect van het staatsverweer (dat via de UNCAT-procedure in 2017 op onrechtmatigheden is gewezen) thans zitting heeft, is de angst voor institutionele bevangenheid volkomen objectief gerechtvaardigd.

Strategische Aanpak: Het Wrakingsinstrument (Artikel 8:15 Awb)

De justitiabele mag de aanwezigheid van de voormalig Landsadvocaat binnen de Raad van State nimmer passief accepteren. Het instrumentarium hiertoe ligt besloten in het wrakingsrecht ex artikel 8:15 Awb. Dit artikel bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden43. Hoewel wrakingskamers, getuige de bestuursrechtelijke praktijk, vaak terughoudend oordelen44, dient een wrakingsverzoek of een verzoek tot structurele verschoning stevig te worden gemotiveerd met een beroep op bovenstaande EHRM-jurisprudentie (met name Procola en Piersack). Men moet beargumenteren dat de overstap van Pels Rijcken naar de hoogste bestuursrechter in een dossier dat getekend wordt door actieve, eerdere dossierinmenging en schikkingspogingen in 2017, de drempel van the appearance of bias ruimschoots overschrijdt6. Het enkele feit dat het landsadvocatenkantoor recent is blootgesteld aan zware integriteitsovertredingen27, versterkt het argument dat de gerechtigde vrees voor vooringenomenheid evident aanwezig is.

Processuele Sanctiemechanismen: Bewijsnood en de Algemene wet bestuursrecht

Indien de Landsadvocaat het feitelijke overheidsoptreden tracht af te dekken door te weigeren documenten over de UNCAT-procedure, de FBI-rapportages en de celbenadering uit 2017 in de bestuursrechtelijke CSG-procedure in te brengen, ontstaat een acuut procedureel conflict. Het Nederlandse bestuursprocesrecht kent echter strenge, dwingende waarborgen om deze asymmetrie en weigering tot transparantie te sanctioneren.

De Dwingende Informatieplicht: Artikel 8:42 Awb

Het fundament van het bestuursproces is artikel 8:42, eerste lid, Awb. Dit artikel verplicht het bestuursorgaan (en daarmee zijn vertegenwoordiger, de Landsadvocaat) om binnen vier weken na het instellen van het beroep alle ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ en een verweerschrift aan de rechtbank in te zenden46.

De betekenis en reikwijdte van de term “op de zaak betrekking hebbende stukken” is in de afgelopen jaren vergaand verduidelijkt en aangescherpt door de Hoge Raad in baanbrekende arresten (onder meer HR 4 mei 2018, HR 25 juni 2021 en recentelijk in HR 31 mei 2024 en HR 2026, ECLI:NL:HR:2026:571)13. De Hoge Raad hanteert in vaste jurisprudentie de volgende ijzeren vuistregels13:

  1. Alles wat ter beschikking staat: Alle stukken die het bestuursorgaan ter beschikking staan of hebben gestaan (zelfs als deze zich slechts in het kantoorarchief van de ingehuurde Landsadvocaat of een geallieerd Ministerie bevinden) vallen hieronder.
  2. Relevantie voor het geschil: Stukken zijn relevant indien ze van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. Dit omvat uitdrukkelijk niet alleen de documenten waarop het besluit is gebaseerd, maar expliciet ook ontlastende documenten, interne discussies over onhoudbare standpunten, en schikkingsadviezen.
  3. Verbod op eigen selectie: Het is het bestuursorgaan ten strengste verboden om zelf een selectie te maken en informatie achter te houden die het onwelgevallig acht13.
  4. Elektronische gegevens: Ook e-mails, interne notities en gespreksverslagen vallen integraal onder de reikwijdte van artikel 8:42 Awb13.

Wanneer het Ministerie van Justitie en Veiligheid in een Woo-besluit d.d. 17 maart 2025 in koele letters verklaart dat er “geen documenten zijn aangetroffen” betreffende de correspondentie en adviezen van de Landsadvocaat rondom de formele UNCAT-procedure uit 2017, snijdt deze stelling geen enkel hout1. Gezien de zwaarte van een door de VS geïnitieerde procedure onder Obama, en de feitelijke benadering in P.I. Heerhugowaard in mei 2017, is het administratief ondenkbaar en materieel onmogelijk dat hierover geen vastlegging in de (kantoor)archieven van het Ministerie en Pels Rijcken heeft plaatsgevonden1.

Misbruik van Artikel 8:29 Awb en Ambtelijke Verduistering (Artikel 361 Sr)

Als de Staat uiteindelijk toch documenten produceert, volgt veelal de reflexmatige ontsnappingsroute via artikel 8:29 Awb. Dit artikel biedt bestuursorganen de mogelijkheid om “om gewichtige redenen” het overleggen van stukken te weigeren of te bepalen dat uitsluitend de bestuursrechter er kennis van mag nemen1. Dergelijke redenen kunnen de staatsveiligheid of internationale betrekkingen behelzen. Echter, artikel 8:29 Awb is dogmatisch volstrekt niet geschreven als vrijbrief om staatsaansprakelijkheid, ambtelijk wangedrag of de schending van fundamentele mensenrechten te verhullen1. Het inzetten van geheimhouding om procedurele frustratie te bewerkstelligen levert onversneden détournement de pouvoir op1.

Ernstiger nog is de kwalificatie indien de ambtenaren volharden in het ontkennen van het bestaan van de bewuste UNCAT-dossiers. Het opzettelijk verbergen, vernietigen of verduisteren van bescheiden en bewijsstukken door een ambtenaar (of de onder staatsmandaat opererende Landsadvocaat) in de zin der wet, levert de materiële bestanddelen op van ambtelijke verduistering ex artikel 361 Wetboek van Strafrecht (Sr)1. Dit legitimeert in de procedure een preventief, hard verweer: de bestuursrechter moet geattendeerd worden op het feit dat de Staat door deze documenten systematisch te ontkennen, mogelijk handelt in de sfeer van strafbare procesfraude en dossiersterilisatie.

De Finale Correctie: Sancties op grond van Artikel 8:31 Awb

Het bestuursprocesrecht is niet machteloos tegenover een weigerachtige Staat. Indien een partij (inclusief het bestuursorgaan) niet voldoet aan de inlichtingenplicht of weigert te verschijnen, bepaalt artikel 8:31 Awb dat de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen1.

De doctrine rondom artikel 8:31 Awb is bij uitstek het redmiddel voor de justitiabele die te kampen heeft met ‘gecreëerde bewijsnood’12. In de bestuursrechtelijke en fiscale rechtspraak wordt aangenomen dat indien de partij die het feitenonderzoek heeft bemoeilijkt of gedwarsboomd weigert inzage te geven in de cruciale bescheiden (zoals de 8:42-stukken inzake de UNCAT-schikking), de bewijslastverdeling rigoureus kantelt10.

Indien in de casus van het CSG een tegemoetkoming wordt geweigerd wegens het ontbreken van een politieel proces-verbaal, dient de rechter het historisch bewijs in ogenschouw te nemen1. Het audiobestand d.d. 2 augustus 2004, waarin een politie-rechercheur toegeeft dat het Ministerie van Justitie hem uitdrukkelijk heeft verboden een proces-verbaal van de aangifte op te maken, bewijst onomstotelijk dat de bewijsnood van de klager volledig en exclusief door datzelfde Ministerie is geïnstigeerd1. Als ditzelfde Ministerie vervolgens dertien jaar later weigert het Houtzagers-schikkingsdossier vrij te geven dat deze obstructie op het internationale UNCAT-niveau behandelt, moet de rechter artikel 8:31 Awb ten volle benutten1.

De rechtbank is op grond van deze bepaling bevoegd, en in het kader van een eerlijk proces (ex art. 6 EVRM) feitelijk verplicht, om:

  1. Een feitelijk bewijsvermoeden te hanteren: De door de eiser gestelde stellingen aangaande de inhoud van het UNCAT-dossier, het FBI/CIA-onderzoek en de onhoudbaarheid van het staatsverweer als onvoorwaardelijk rechtens vaststaand aan te nemen1.
  2. De bewijslast om te keren: Te oordelen dat, nu de Staat de bewijsvoering actief onmogelijk heeft gemaakt, het volledig aan het bestuursorgaan is om keihard en documentair aan te tonen dat eiser geen gelijk heeft, in de wetenschap dat zij die bewijslast niet kunnen vervullen zonder de achtergehouden documenten alsnog te declassificeren1.

Het Beginsel ‘Nemo Auditur Propriam Turpitudinem Allegans’

Deze stringente toepassing van artikel 8:31 Awb bij gecreëerde bewijsnood ontleent haar ultieme rechtsstatelijke legitimatie aan een van de fundamenten van ons rechtssysteem: het nemo auditur propriam turpitudinem allegans beginsel1. Vrij vertaald dicteert dit Romeinsrechtelijke adagium dat niemand in rechte mag worden gehoord, of voordeel mag trekken, wanneer hij zich beroept op zijn eigen onrechtmatige, schandelijke of bedrieglijke handelen11.

In het bestuursrecht functioneert dit leerstuk als de uiterste correctie op overheden die machtsmisbruik plegen onder de dekmantel van formele procesvoorschriften58. Binnen de voorliggende casus betekent de onverkorte werking van het nemo auditur-beginsel het volgende: het Ministerie van Justitie, de Landsadvocaat of het daarmee gelieerde Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) mogen zich in een rechterlijke procedure nimmer beroepen op de formele afwijzingsgrond “er is geen proces-verbaal overgelegd”, wanneer ditzelfde orgaan actief het opmaken van dit proces-verbaal in 2004 heeft geblokkeerd en het onafhankelijke bewijs hieromtrent in het UNCAT-dossier van 2017 opzettelijk verduistert1.

De overheid is in dergelijke asymmetrische geschillen tegelijkertijd de benadeler, de besluitvormer en de hoeder van de bewijsdossiers64. Het nemo auditur-mechanisme werkt als een processuele sluis: het sluit de deur voor elk argument van de Staat dat gebouwd is op een fundament van eigen ambtelijke obstructie of verduistering. De rechtbank is op grond van dit beginsel, gecombineerd met de plicht de goede procesorde te handhaven, gehouden het formele verweer van de Staat terzijde te schuiven en de vordering van de klager inhoudelijk en integraal toe te wijzen.

Synthese en Strategisch Perspectief

Uit de diepgaande analyse van het snijvlak tussen de internationale mensenrechtenmechanismen en het nationale bestuursrecht, blijkt dat de justitiabele allerminst machteloos staat tegenover de gecombineerde overmacht van het Ministerie, de (voormalig) Landsadvocaat en de Raad van State. Om de impact van de 2017 UNCAT-procedure in de nationale bestuurszaak te maximaliseren, dienen de volgende strategische en dogmatische conclusies in de rechtszaal te worden geëffectueerd:

  • Verankering van Internationaal Bewijs: De activering van de Staat-tegen-Staat procedure door de VS onder artikel 21 UNCAT is een zeldzaam en vernietigend oordeel over het overheidshandelen van Nederland. Samen met de door inlichtingendiensten voorbereide uitspraak van Judge Ford uit 2009, levert dit onweerlegbaar extern bewijs op. In het kader van artikel 3:2 Awb (zorgvuldige besluitvorming) mag een bestuursorgaan (zoals het CSG) hier nimmer aan voorbijgaan. Het kwalificeert het nationale overheidshandelen als een aaneenschakeling van motiveringsgebreken.
  • Aanval op Institutionele Belangenverstrengeling: Het optreden van voormalig Landsadvocaat Houtzagers in 2017, gevolgd door diens verheffing tot Staatsraad bij de Raad van State, vormt het epicentrum van belangenverstrengeling. Met een nadrukkelijk beroep op artikel 6 EVRM en de constante jurisprudentie van het EHRM (Procola, Piersack, Wettstein, en het aspect van de objectively justified fear in Ferrantelli en Kyprianou), dient deze dubbelrol consequent te worden aangevochten. Bij de behandelend rechters moet men via artikel 8:15 Awb (wraking/verschoning) bepleiten dat de schaduw van deze voormalige hoofdadviseur van de tegenpartij, de objectieve onpartijdigheid van het instituut Raad van State onherstelbaar vitieert in zaken die rechtstreeks voortvloeien uit dit dossier.
  • Meedogenloze Handhaving van Artikel 8:42 en 8:31 Awb: Het verweer tegen de ambtelijke dossiersterilisatie is procedureel dichtgetimmerd via artikel 8:42 Awb. De Staat kan de interne adviezen van de Landsadvocaat en de ministeriële correspondentie inzake de heimelijke celbenadering en de UNCAT-schikking uit 2017 niet achterhouden met de ondeugdelijke smoes dat deze ‘niet bestaan’ (hetgeen grenst aan art. 361 Sr). Middels een formeel verzoekschrift dient de rechtbank te worden opgeroepen om de Staat een uiterste termijn te stellen voor overlegging. Indien de Staat, met al dan niet onrechtmatig gebruik van geheimhouding ex artikel 8:29 Awb, weigerachtig blijft, is de rechter gehouden de ultieme sanctie van artikel 8:31 Awb toe te passen. Op basis van de leer van de door de Staat gecreëerde bewijsnood, gestut door het dwingende nemo auditur-beginsel, leidt dit tot omkering van de bewijslast en de volledige juridische toerekening van de door het slachtoffer gestelde feiten aan de Staat der Nederlanden.

Works cited

  1. Formeel Juridisch Memo_ Declassificatie Correspondentie Landsadvocaat Houtzagers & Ministerie van Justitie (UNCAT 2017).pdf
  2. Human Rights Law and Practice Overview | PDF, https://www.scribd.com/document/446281030/human-rights-pdf
  3. The United Nations Convention Against Torture and its Optional, https://global.oup.com/academic/product/the-united-nations-convention-against-torture-and-its-optional-protocol-9780198846178
  4. Issue2_typeset_final_online-1.pdf – Manchester Law Journal, https://manchesterlawjournal.mmu.ac.uk/wp-content/uploads/sites/524/2025/04/Issue2_typeset_final_online-1.pdf
  5. OVEREENKOMST de Staat der Nederlanden, te dezen, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-1094326.pdf
  6. Uitspraak 202003005/2/R1 en 202003006/2/R1 | Raad van State, https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@124463/202003005-2-r1-en-202003006-2-r1/
  7. PIERSACK v. BELGIUM – HUDOC, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-57557
  8. KLEYN AND OTHERS v. THE NETHERLANDS – HUDOC, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-61077
  9. FERRANTELLI AND SANTANGELO v. ITALY – HUDOC, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-57997
  10. Bewijslastverdeling in het bestuursrecht. Zorgvuldigheid en, https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/access/item%3A2862223/view
  11. Artikel – Nemo auditur propriam turpitudinem allegans – www.elfri.be, https://www.elfri.be/nemo-auditur-propriam-turpitudinem-allegans
  12. 95_De civielrechtelijke inbedding van het, https://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/239920/239920.pdf
  13. Op de zaak betrekking hebbende stukken – Jongbloed Fiscaal Juristen, https://www.jongbloed-fiscaaljuristen.nl/databank/formeel_belastingrecht/fiscale_procedure/op_de_zaak_betrekking_hebbende_stukken_bij_fiscale_procedure/
  14. Article 19 State Reporting Procedure – Oxford Academic, https://academic.oup.com/book/57891/chapter/472025152
  15. Tribunal Standards – Institute for the Advancement of Justice, https://www.iaj.institute/standards.php
  16. The United Nations Convention Against Torture and its Optional, https://academy.ishr.ch/upload/resources_and_tools/Oxford%20commentary%20on%20UNCAT%20&%20OP_en.pdf
  17. OSJI-From Judgment to Justice-proof.indd, https://www.justiceinitiative.org/uploads/62da1d98-699f-407e-86ac-75294725a539/from-judgment-to-justice-20101122.pdf
  18. No. 24841 MULTILATERAL Convention against torture and other, https://treaties.un.org/doc/publication/unts/volume%201465/volume-1465-i-24841-english.pdf
  19. 2. The Development Of The International Law Of Human Rights, https://www.oxfordlawtrove.com/display/10.1093/he/9780192893499.001.0001/he-9780192893499-chapter-2
  20. United Nations Convention Against Torture – Wikipedia, https://en.wikipedia.org/wiki/United_Nations_Convention_Against_Torture
  21. 9. Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or … – UNTC, https://treaties.un.org/pages/viewdetails.aspx?src=treaty&mtdsg_no=iv-9&chapter=4&clang=_en
  22. The Changing Character of International Dispute Settlement, https://www.cambridge.org/core/books/changing-character-of-international-dispute-settlement/effectiveness-authority-and-legitimacy-of-the-current-system-of-international-dispute-settlement-and-possible-reforms/110F129D74DDE7C8CEFB00318FCF7198
  23. Chapter 8 Making Something Out of (Almost) Nothing? in – Brill, https://brill.com/display/book/9789004712584/BP000009.xml?language=en
  24. Schending van artikel 3 EVRM: onderzoek naar de uitzetting van, https://repository.ua.aw/bitstreams/5faacb93-c7f0-4f70-82ad-6a9be4b9c617/download
  25. Aangepaste overeenkomst Staat en landsadvocaat | Rijksoverheid.nl, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2023/06/02/tk-bijlage-aangepast-landscontract
  26. ‘Ik mag niet worden vereenzelvigd met mijn cliënt’ – Advocatenblad, https://magazine.advocatenblad.nl/2025-01/ik-mag-niet-worden-vereenzelvigd-met-mijn-client/
  27. Zware verwijten Stibbe in tuchtzaak tegen landsadvocaat Pels Rijcken, https://www.mr-online.nl/zware-verwijten-stibbe-in-tuchtzaak-tegen-landsadvocaat-pels-rijcken/
  28. NJB: nieuws – Deskundige adviezen over de Landsadvocaat, https://www.njb.nl/nieuws/deskundige-adviezen-over-de-landsadvocaat/
  29. ECLI:NL:HR:2024:1875, Hoge Raad, 23/03299 – Uitspraken, https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2024:1875
  30. NJB: nieuws – Pels Rijcken stopt met notariaat, https://www.njb.nl/nieuws/pels-rijcken-stopt-met-notariaat/
  31. advocatenblad-2024-08.pdf, https://magazine.advocatenblad.nl/2024-08/assets/pdf/advocatenblad-2024-08.pdf
  32. Guide on article 6 : Right to a fair trial – https: //rm. coe. int, https://rm.coe.int/1680304c4c
  33. Independence of the justice system – ECHR, https://www.echr.coe.int/documents/d/echr/fs_independence_justice_eng
  34. Guide on Article 6 : Right to a fair trial (civil limb) – https: //rm. coe. int, https://rm.coe.int/1680700aaf
  35. DE CUBBER v. BELGIUM – [Spanish Translation] summary by the, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-165125
  36. CASE OF KYPRIANOU v. CYPRUS – HUDOC, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-61600
  37. KORZENIAK v. POLAND – HUDOC, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-170045
  38. Guide on Article 6 – Right to a fair trial (criminal limb), https://icct.nl/sites/default/files/import/publication/guide_art_6_criminal_eng.pdf
  39. PROCOLA v. LUXEMBOURG – HUDOC, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-57944
  40. Betekenis en reikwijdte van het begrip ‘rechtsstaat’ | Raad van State, https://www.raadvanstate.nl/publish/library/13/juridische-betekenis-van-het-begrip-rechtsstaat.pdf
  41. CASE OF MUTU AND PECHSTEIN v. SWITZERLAND – HUDOC, https://hudoc.echr.coe.int/fre?i=001-186828
  42. MICALLEF v. MALTA – HUDOC, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-95031
  43. Uitspraak 202306825/2/R1 – Raad van State, https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@152408/202306825-2-r1/
  44. Arrondissementsparket Den Haag T.a.v. hoofdofficier van justitie mr, https://boosopbloos.nl/wp-content/uploads/2021/10/Aangifte-klacht-kennisdragers-ArrondisparketVan-Rijn-MOl-DdL-bijlagen-20211015.pdf
  45. Het nieuwe bewijsrecht: alle kaarten op tafel – Het Advocatenblad, https://magazine.advocatenblad.nl/2026-02/assets/pdf/advocatenblad-2026-02.pdf
  46. Nadere vuistregels voor “op de zaak betrekking hebbende stukken”, https://pelsrijcken.nl/kennis/nadere-vuistregels-voor-op-de-zaak-betrekking-hebbende-stukken
  47. Voorbereid op aansprakelijkheid – VNG, https://vng.nl/sites/default/files/publicaties/2016/20160321-voorbereid-op-aansprakelijkheid-vng-overheidsaansprakelijkheid.pdf
  48. Op de zaak betrekking hebbende stukken: Hoge Raad 10 april 2026, https://laghmouchilaw.nl/op-de-zaak-betrekking-hebbende-stukken-woo-verzoek/
  49. Hoe kan in het bestuursprocesrecht de informatiepositie van de, https://www.medewerkers.universiteitleiden.nl/binaries/content/assets/rechtsgeleerdheid/instituut-voor-publiekrecht/staats–en-bestuursrecht/onderzoeksrapport-informatiepositie-bpr—definitieve-versie.pdf
  50. Welke stukken zijn op de zaak betrekking hebbende stukken?, https://demandtadvocatuur.nl/de-verplichting-van-de-inspecteur-om-de-op-de-zaak-betrekking-hebbende-stukken-te-verstrekken/
  51. Aangifte tegen bewindspersonen in de Toeslagenaffaire – Hoge Raad, https://www.hogeraad.nl/publish/pages/2382/orienterend_onderzoek_pg_aangifte_tegen_bewindspersonen_1.pdf
  52. ECLI:NL:RBOBR:2022:417, Rechtbank Oost-Brabant, 21/2248, https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:417
  53. 8.2.2a Bestuurlijke lus (8:51a-8:51d) – PG Awb, https://pgawb.nl/pg-awb-digitaal/hoofdstuk-8/8-2-behandeling-van-het-beroep/8-2-2a-bestuurlijke-lus/
  54. Toetsing van deskundigenadviezen door de bestuursrechter, https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/access/item%3A4171773/view
  55. ECLI:NL:PHR:2015:2341, Parket bij de Hoge Raad, 15/01642, https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2015:2341
  56. Omkering en – verzwaring bewijslast: voor wat en wanneer?, https://debontadvocaten.nl/wp-content/uploads/2021/06/Nuyens-omkering-verzwaring-bewijslast-procedure-informatieverplichting.pdf
  57. Bezwaar en beroep WOZ en NCNP – Erasmus Universiteit Rotterdam, https://www.eur.nl/sites/corporate/files/2021-02/rapport_bezwaar_en_beroep_woz_en_ncnp.pdf
  58. Vergelijking tussen het beginsel nemo auditur en het adagium in, https://www.elfri.be/vergelijking-tussen-het-beginsel-nemo-auditur-en-het-adagium-in-pari-causa-turpitudinis-cessat-repetitio
  59. ECLI:NL:PHR:2020:466, Parket bij de Hoge Raad, 19/00627, https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2020:466
  60. ECLI:NL:OGHACMB:2021:45 – koop woning – wanprestatie, https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2021-45
  61. bijzondere rechtspleging in leeuwarden, https://repub.eur.nl/pub/98678/9789087046422-pinn-LR_Diss_Severein.pdf
  62. ECLI:NL:RBAMS:2026:5627, Rechtbank Amsterdam … – Uitspraken, https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5627
  63. ECLI:NL:PHR:2020:184, Parket bij de Hoge Raad, 19/02693, https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2020:184
  64. Grenzen aan de compensatie- maatschappij, https://verenigingbestuursrecht.nl/wp-content/uploads/2025/04/VAR-176-Grenzen-aan-de-compensatiemaatschappij.pdf

Published by

Hans Smedema

High level Dutch man(Rotary member) who became the victim of an unbelievable conspiracy set up by a criminal organisation of rapist inside the Ministry of Justice. Making me De Facto Stateless! Now fighting for 24 years but the Dutch government and specific corrupt King refuse to open an investigation to protect themselves! America investigated after my asylum request and started an UNCAT or special procedure in 2017. View all posts by Hans Smedema