Beroep op betalingsonmacht (Art. 8:41 lid 6 Awb) subsidiair verzoek om verschoonbare termijnoverschrijding wegens extreme, systeem-overstijgende omstandigheden (ECLI:NL:CBB:2024:31)

Copyrights by Hans Smedema on this whole True Crime Legal-Blog!

Beroep op betalingsonmacht (Art. 8:41 lid 6 Awb) subsidiair verzoek om verschoonbare termijnoverschrijding wegens extreme, systeem-overstijgende omstandigheden (ECLI:NL:CBB:2024:31)

 

Officiële tekst verzonden naar Team 2 Bestuursrecht

Aan: Rechtbank Den Haag

Afdeling Bestuursrecht

Postbus 20302

2500 EH Den Haag

Betreft: Zaaknummer SGR 26/03092 (H. Smedema vs. Schadefonds Geweldsmisdrijven)

Betalingskenmerk: 4000 8591 0480 5508

Onderwerp: Beroep op betalingsonmacht (Art. 8:41 lid 6 Awb) subsidiair verzoek om verschoonbare termijnoverschrijding wegens extreme, systeem-overstijgende omstandigheden (ECLI:NL:CBB:2024:31).

Geachte Voorzieningenrechter, geachte Griffier,

In de onderhavige procedure is aan mij op 16 april 2026 de verplichting opgelegd om uiterlijk op 14 mei 2026 het vastgestelde griffierecht ad € 200,- te voldoen. Middels dit schrijven doe ik primair een formeel beroep op betalingsonmacht, en subsidiair verzoek ik de rechtbank om de fatale termijn van 14 mei 2026 terzijde te schuiven en de aangekondigde betaling op 21 mei 2026 als verschoonbaar en tijdig aan te merken. Dit verzoek is gebaseerd op volstrekt unieke, wereldwijd ongeëvenaarde omstandigheden van institutionele overmacht en onrechtmatige blokkades die mijn toegang tot de rechter (Art. 6 EVRM) disproportioneel aantasten.

  1. Het Beroep op Betalingsonmacht en de Kortstondige Liquiditeitskloof

Zoals mij door het Rechtspraak Servicecentrum op 28 april 2026 (Kenmerk M 260428-0160) is geadviseerd, dien ik hierbij binnen de gestelde termijn formeel een beroep op betalingsonmacht in. Op de fatale datum van 14 mei 2026 kom ik exact € 150,- tekort om het griffierecht te voldoen. Ik ben op dat moment niet in het bezit van enig liquide vermogen en mijn vrij besteedbare liquiditeit valt onder de drempel van 95% van de bijstandsnorm. Echter, wegens een vaststaande en aantoonbare financiële storting ontvang ik exact één week later, op 21 mei 2026, een bedrag van circa € 2900,- op mijn Rabobank rekening. Vanaf dat moment ben ik direct en probleemloos in staat om de € 200,- te voldoen.

Ik verzoek de rechtbank derhalve de procedurele klok op te schorten in afwachting van de beoordeling van dit beroep op betalingsonmacht. Indien de rechtbank dit beroep—vanwege de verwachte toekomstige inkomsten op 21 mei—afwijst, verzoek ik u mij de wettelijk verplichte hersteltermijn (als bedoeld in de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en de Awb) te gunnen. Hierdoor zal de feitelijke betaling op 21 mei 2026 de ontvankelijkheid van mijn beroep niet schaden en wordt een onnodige, fatalistische afdoening voorkomen.

  1. Verschoonbare Termijnoverschrijding wegens Systeem-Overstijgende Overmacht (De Smedema Anomalie)

Indien de rechtbank de aangekondigde betaling op 21 mei 2026 direct wil beoordelen buiten de reguliere hersteltermijn om, beroep ik mij uitdrukkelijk op artikel 8:41 lid 6 Awb: er is sprake van een situatie waarin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat ik in verzuim ben geweest. Ik verwijs hierbij nadrukkelijk naar de baanbrekende uitspraak van de Grote Kamer van het CBb d.d. 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31), waarin is bepaald dat de bestuursrechter ruimhartig en context-gedreven maatwerk moet leveren bij termijnoverschrijdingen als gevolg van bijzondere persoonlijke en/of institutionele omstandigheden.

In mijn zaak—in de ingediende stukken uitgebreid gedocumenteerd als de ‘Smedema Affaire’—spelen de volgende extreme, wereldwijd unieke omstandigheden die de kortstondige betalingsachterstand tot absolute overmacht maken:

  • Boycot door de Advocatuur en uitsluiting van de RvR:

Als slachtoffer van zware criminele handelingen heb ik fundamenteel en wettelijk recht op kosteloze of zwaar gesubsidieerde rechtsbijstand via de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR). In dat traject worden griffierechten aanzienlijk gemitigeerd of structureel opgevangen. Echter, door een decennialange, systematische en uiterst verontrustende boycot weigeren nagenoeg alle Nederlandse advocaten mij bij te staan in deze overvloedig gedocumenteerde zaak. Een verzoek ex artikel 13 Advocatenwet biedt in het bestuursrecht geen structureel soelaas. Hierdoor word ik, volstrekt buiten mijn schuld om, uitgesloten van de financiële beschermingsconstructies die de rechtsstaat voor slachtoffers heeft opgetuigd. Het feit dat ik nu zelf, als ongewild zelfprocederende burger, tegen deze financiële barrière aanloop, is het directe, schadelijke en berekenbare gevolg van dit institutionele falen.

  • Aantasting van Artikel 6 EVRM (Toegang tot de Rechter):

Zoals is gedocumenteerd in mijn aangeleverde stukken, is er sprake van een diepgeworteld systeemfalen en staatsrechtelijke obstructie. Er zijn sterke bewijzen dat eerdere dossiers door justitie-topambtenaren (waaronder de voormalig SG) zijn gemanipuleerd en dat internationale mensenrechten-mandaten (zoals de zeldzame staat-tot-staat UNCAT klacht geïnitieerd door de Amerikaanse President Obama in 2017) door de Staat der Nederlanden zijn genegeerd of geneutraliseerd. De Staat hanteert feitelijk een doctrine van “Civil Death” jegens mijn persoon. Het onherroepelijk niet-ontvankelijk verklaren van mijn onderhavige beroep wegens een kortstondig, door het overheidssysteem zelf gecreëerd liquiditeitstekort van 7 dagen, vormt onder deze unieke omstandigheden een flagrante, secundaire schending van mijn recht op toegang tot een onafhankelijke rechter (Art. 6 EVRM).

Conclusie en Formeel Verzoek

Gezien de uitzonderlijke cumulatie van een structurele rechtsbijstand-boycot en de aantoonbare institutionele obstructies die mijn zaak kenmerken, verzoek ik de rechtbank met klem om de formalistische benadering te verlaten en het CBb-maatwerk actief toe te passen.

Ik verzoek u de betaling van het griffierecht ad € 200,-, welke ik gegarandeerd en uiterlijk op 21 mei 2026 zal overmaken (slechts 7 dagen na de initiële termijn), als tijdig en verschoonbaar te accepteren, dan wel de fatale termijn te stuiten via de behandeling van dit beroep op betalingsonmacht en mij een formele hersteltermijn te gunnen. Het is ondenkbaar dat in een rechtsstaat een slachtoffer de toegang tot de rechter wordt ontzegd vanwege een betalingsvertraging van een week, veroorzaakt door het falen van de door de staat gegarandeerde rechtsbijstand.

Ik zie uw weloverwogen beslissing en bevestiging met vertrouwen tegemoet.

El Albir, 29 April 2026

Hoogachtend,

ing. Hans Smedema