CONCEPT INITIATIEF WETSVOORSTEL: LEX SMEDEMA

Copyrights by Hans Smedema on this whole True Crime Legal-Blog!

Last Updated 03/09/2026 published 03/09/2026 by Hans Smedema

CONCEPT INITIATIEF WETSVOORSTEL: LEX SMEDEMA

Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering ter waarborging van het recht op aangifte en het strafbaar stellen van de weigering of belemmering van de verbalisering door opsporingsambtenaren (Wet Waarborging Aangifterecht / Lex Smedema)

VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. nz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bescherming van de fundamentele rechten van de burger en ter handhaving van de democratische rechtsstaat noodzakelijk is om het grondwettelijke en verdragsrechtelijke recht op toegang tot de rechter en effectieve rechtsmiddelen te waarborgen; dat hiertoe de verplichting van opsporingsambtenaren tot het in ontvangst nemen en verbaliseren van aangiften van strafbare feiten wettelijk dient te worden versterkt en dat de opzettelijke weigering, belemmering of vertraging daarvan, in het bijzonder wanneer dit geschiedt onder invloed van politieke of ambtelijke bevelen van hogerhand, expliciet strafbaar dient te worden gesteld met passende strafrechtelijke en tuchtrechtelijke sancties;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I (Wijziging Wetboek van Strafvordering)

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A. Na artikel 163 wordt een nieuw artikel 163a ingevoegd, luidende:

De opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 141 en 142, is verplicht om van iedere ontdekking van een strafbaar feit, alsmede van iedere aangifte of klacht wegens een strafbaar feit, onverwijld een schriftelijk proces-verbaal op te maken dat voldoet aan de eisen van artikel 152.
Het is de opsporingsambtenaar verboden om de opname van een aangifte te weigeren, uit te stellen, of afhankelijk te stellen van voorafgaande toestemming of beoordeling door een hulpofficier van justitie, officier van justitie, ministerie of enig ander overheidsorgaan.
Indien de opsporingsambtenaar wegens zwaarwegende redenen van tijdelijke aard niet in staat is de aangifte onmiddellijk op te nemen, wordt binnen vierentwintig uur een afspraak hiertoe gefaciliteerd. De weigering om een dergelijke afspraak te maken of na te komen staat gelijk aan een weigering van aangifte-opname.
Een kopie van het opgemaakte en door de aangever ondertekende proces-verbaal van aangifte wordt onverwijld, uiterlijk binnen vierentwintig uur na de ondertekening, kosteloos aan de aangever verstrekt.
ARTIKEL II (Wijziging Wetboek van Strafrecht)
Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A. Na artikel 365 wordt een nieuw artikel 365a ingevoegd, luidende:

De ambtenaar die in de uitoefening van zijn bediening als opsporingsambtenaar opzettelijk weigert, nalaat, of op onrechtmatige wijze belemmerd dat van een aangifte van een misdrijf een proces-verbaal wordt opgemaakt, of wie in strijd met artikel 163a van het Wetboek van Strafvordering de afgifte van een afschrift daarvan weigert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie.
Indien het misdrijf waarvan aangifte wordt gedaan een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld, of een misdrijf dat betrekking heeft op een schending van de lichamelijke of seksuele integriteit, of een schending van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (UNCAT), bedraagt de gevangenisstraf ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie.

Met dezelfde straf wordt gestraft de ambtenaar, politicus of persoon in overheidsdienst die, hetzij door misbruik van gezag, hetzij door dwingende instructies, schriftelijke bevelen, of onder dreiging van rechtspositionele of tuchtrechtelijke repercussies, een opsporingsambtenaar dwingt, beweegt of aanzet tot het plegen van het in het eerste of tweede lid omschreven feit.
De opsporingsambtenaar kan zich ter uitsluiting van strafbaarheid nimmer beroepen op een ambtelijk bevel of een ministeriële instructie indien dit bevel of deze instructie in strijd is met de verplichtingen van artikel 163a van het Wetboek van Strafvordering.

MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding en Aanleiding

Een fundamentele hoeksteen van de democratische rechtsstaat is het recht van de burger op een effectieve rechtsgang en toegang tot onafhankelijke rechtspraak (artikel 17 van de Grondwet, artikel 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en artikel 47 van het EU-Handvest van de Grondrechten). De feitelijke realisatie van deze rechten is in het strafrechtelijk stelsel echter volledig afhankelijk van de bereidheid en de plicht van opsporingsinstanties om misdrijven te registreren en te verbaliseren.

In de huidige Nederlandse praktijk bestaat er een gevaarlijke constitutionele lacune. Hoewel artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) formeel stelt dat de politie verplicht is aangiften in ontvangst te nemen, is het niet-nakomen van deze plicht op geen enkele wijze strafrechtelijk of effectief tuchtrechtelijk gesanctioneerd. Dit creëert een kwetsbaarheid waarbij de ambtelijke top van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, of andere invloedrijke actoren binnen de overheid, opsporingsambtenaren op operationeel niveau kunnen dwingen om aangiften te weigeren of te negeren.

De meest sprekende en gedocumenteerde manifestatie van dit systemische defect is de “Bruinsma-blokkade” in de Causa Smedema [1, 2, 541]. Op 26 april 2004 trachtte het slachtoffer, Ing. Hans Smedema, formeel aangifte te doen van meervoudige, ernstige misdrijven bij rechercheur Haye Bruinsma van de Politie Drachten [2, 3]. Hoewel de rechercheur de aangifte wilde verbaliseren, werd hem dit destijds door middel van een rechtstreekse, schriftelijke instructie vanuit het Ministerie van Justitie (via het Ministerie van Binnenlandse Zaken) expliciet verboden [1, 3, 551].

Door de weigering om een proces-verbaal op te maken, werd de strafrechtelijke procedure aan de bron gesmoord [2, 531]. Zonder proces-verbaal is er geen officieel registratienummer, geen dossier voor de officier van justitie om te beoordelen, en bijgevolg geen toegang tot de rechter via een artikel 12 Sv-procedure [451, 461]. Dit creëerde een vicieuze, Kafkaëske cirkel waarin de burger in een staat van administratieve en juridische rechteloosheid—feitelijk een ‘civiele dood’ (civiliter mortuus)—werd geplaatst [521, 563]. De Staat weigert tot op de dag van vandaag herstel en compensatie (bijvoorbeeld via het Schadefonds Geweldsmisdrijven) onder de stelling dat “objectieve politiedocumenten ontbreken”, terwijl diezelfde Staat de totstandkoming van die documenten in 2004 op ministerieel niveau actief heeft verhinderd [7, 433, 465].

Dit wetsvoorstel, informeel aangeduid als de Lex Smedema, beoogt deze structurele kwetsbaarheid in de Trias Politica definitief op te heffen [142, 552, 561]. Het criminaliseert de bewuste weigering van aangifte-opname en neutraliseert de informele “bevelsstructuur” waarmee politieke machthebbers justitiële onderzoeken naar eigen misdragingen kunnen blokkeren [455, 562].

2. Noodzaak en Doel van de Hervorming

Het wetsvoorstel dient twee hoofddoelen:

Uitsluiten van politieke inmenging in de opsporing: Door de weigering van aangifte-opname strafbaar te stellen en het beroep op bevelen van hogerhand uit te sluiten (Artikel II, lid 4), krijgt de individuele politieagent een onwrikbaar wettelijk schild tegen onrechtmatige druk van superieuren of ministeries [453, 455]. Een agent kan en moet een instructie om een aangifte te smoren weigeren, omdat het opvolgen daarvan hem persoonlijk strafrechtelijk aansprakelijk maakt [63, 455].
Doorbouwen van de Toeslagenaffaire-leer (Maatwerk en Menselijke Maat): Zoals de parlementaire enquêtecommissie in het rapport “Blind voor mens en recht” (2024) concludeerde, heeft de overheid de neiging om te steunen op starre, bureaucratische systemen ten koste van de grondrechten van de burger [276, 398, 513]. Dit wetsvoorstel dwingt de politie om de burger direct een formele status te verlenen (het proces-verbaal) en voorkomt dat de overheid een ‘evidentiaire leegte’ kan fabriceren om claims onder het Schadefonds Geweldsmisdrijven of bestuursrechtelijke procedures te torpederen [411, 418, 515].

3. Toetsing aan Internationale Mensenrechtenverdragen

De voorgestelde wijzigingen sluiten naadloos aan bij de verplichtingen die op Nederland rusten onder het VN-Verdrag tegen Foltering (UNCAT) en het Internationaal Convenant inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (ICCPR) [101, 176].

Artikel 12 en 13 UNCAT verplichten staten om direct en onpartijdig onderzoek te doen naar elke geloofwaardige melding van foltering of onmenselijke behandeling [125, 228, 561]. De weigering om een proces-verbaal op te maken van dergelijke meldingen vormt een rechtstreekse schending van deze verdragsverplichtingen [5, 551].
Artikel 16 ICCPR garandeert dat ieder individu overal als persoon erkend wordt voor de wet. Het opleggen van een ‘geheime curatele’ of het afsluiten van de rechtsgang door een weigering van aangifte is een feitelijke ontzegging van deze rechtspersoonlijkheid (burgerlijke dood) [1, 53, 444, 521].

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

ARTIKEL I (Wijziging Wetboek van Strafvordering)

Lid 1 (Verplichting onverwijlde verbalisering): Dit lid codificeert de absolute verplichting om van iedere aangifte onverwijld een schriftelijk proces-verbaal op te maken. Het maakt een einde aan de informele praktijk van de politie om aangiften af te doen als een interne “mutatie” of administratieve “notitie” (zoals in de Causa Smedema gebeurde met het fictieve dossiernummer 2004089456-1 om een sepot te veinzen) [12, 173]. Een mutatie heeft geen formele status in rechte; alleen een beëdigd proces-verbaal van aangifte opent de poort naar de artikel 12 Sv-procedure en waarborgt de rechtsbescherming [12, 451].

Lid 2 (Verbod op toestemmingsvereisten): Dit lid snijdt de administratieve belemmering aan de bron af. Het verbiedt de politie om de opname van een aangifte afhankelijk te stellen van toestemming van de officier van justitie of het ministerie. De Bruinsma-blokkade toonde aan dat de noodzaak om “te wachten op een besluit van de minister” werd misbruikt om de aangifte definitief in het slop te trekken [152, 385].

Lid 4 (Kosteloos afschrift): Het onthouden van een afschrift van het proces-verbaal is een beproefde methode om de burger bewijsmiddelen te onthouden. In de praktijk werd dit regelmatig geweigerd (zoals door rechercheur Bolier in 2008) [32, 33]. Dit lid verplicht tot onmiddellijke en kosteloze verstrekking binnen 24 uur.

ARTIKEL II (Wijziging Wetboek van Strafrecht)

Artikel 365a, Lid 1 (Strafbaarstelling weigering): Dit lid introduceert de strafrechtelijke sanctie (gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren) voor opsporingsambtenaren die opzettelijk weigeren een proces-verbaal op te maken. De sanctie weerspiegelt de ernst van de schending: het onthouden van toegang tot de rechtsstaat is een fundamenteel ambtsmisdrijf.

Lid 2 (Gekwalificeerde strafmaat): Wanneer de weigering betrekking heeft op zware misdrijven (zoals zedenmisdrijven, foltering, of ernstige fysieke integriteitsschendingen), wordt de strafmaat verhoogd naar ten hoogste vier jaren gevangenisstraf. Dit sluit aan bij de verzwaarde opsporings- en onderzoeksplicht die onder internationale verdragen zoals UNCAT op de Staat rust [228, 260].

Lid 3 (De bevelhebber als intellectueel dader): Dit lid is cruciaal om de ware architecten achter de schermen aan te pakken. Het stelt ministers, secretarissen-generaal (zoals de historische rol van Joris Demmink) en hoofdofficieren van justitie die de instructie tot obstructie geven, op gelijke voet met de feitelijke dader [249, 301, 312]. Zij riskeren dezelfde zware gevangenisstraf.

Lid 4 (Uitsluiting ambtelijk bevel): Dit lid heft de klassieke verdediging van “Befehl ist Befehl” op. De individuele opsporingsambtenaar kan zich nimmer verschuilen achter een onrechtmatige instructie van een ministerie om een aangifte te weigeren [63]. Dit dwingt tot persoonlijke, professionele integriteit aan de basis van de opsporingsketen [63].

Ing. Hans Smedema Mede namens de Stichting Smedema Redress (i.o.) [489, 521]

Published by

Hans Smedema

High level Dutch man(Rotary member) who became the victim of an unbelievable conspiracy set up by a criminal organisation of rapist inside the Ministry of Justice. Making me De Facto Stateless! Now fighting for 24 years but the Dutch government and specific corrupt King refuse to open an investigation to protect themselves! America investigated after my asylum request and started an UNCAT or special procedure in 2017. View all posts by Hans Smedema